Afgestoft.
"Ligt het nu aan deze tijd - nu pas dus - dat ik het venijn, als gevolg van mogelijke cognitieve dissonantie in dit boekje, zo ontzettend voel? Het is niet áán te raken dit onderwerp."
Vera gaf mij zomaar een boekje. Een oud drukwerkje.
“De val van Vrij Nederland[1], Lin, kijk!”
Ze vond het ergens op de zolder van het Concertgebouw in Amsterdam. Een speciale uitgave over het “beste weekblad van Nederland”, geschreven door Dirk van Delft, Theodor Holman, Lucas Ligtenberg en Bob Polak. “Een onthutsend document over anonieme, interne dreigbrieven, manische geldzucht en… antisemitische uitlatingen van de redacteuren van Vrij Nederland.” Uit 1987, dit boekje.
Wacht. Antisemitisme?
Dat trok mijn nieuwsgierigheid. Het is immers juli 2024 en mijn netvlies is anders. Het is beschadigd. Ik begrijp dingen. Ik ben geen veertien meer, zoals ik was in dat jaar 1987. Al negen maanden lang krijgen mijn ogen de meest verschrikkelijke, mensonterende ellende te zien en het houdt niet op. Op mijn telefoon, mijn Instagram.
Ik begrijp dingen - nu - maar het lijkt nog altijd 1987. Ik heb het boekje afgestoft en ben ondertussen vijftien geworden. Ik lees:
“[ ]Tijdens een felle discussie tussen redacteuren van Vrij Nederland over de wijze waarop de krant de verhouding Israël - Palestijnen dient te behandelen heeft eindredactrice Marian Husken betoogd dat het beleid bij VN te zeer wordt bepaald door de “joodse lobby”, c.q. de joodse afkomst van enkele redacteuren. [..]”
Ah, dit was wat het, in oplage en financiën steeds moeilijker pruttelende, weekblad Vrij Nederland begin jaren ’80 tot een kookpunt bracht. Met grote verontwaardiging werd dit boekje geschreven en doorspekt. Niets was meer goed geweest aan Vrij Nederland. Overtuigd van het kwaad en dus: publiekelijk maken. Middels een speciale uitgave, die Vrij Nederland toestond, notabene, want dat óók nog eens. De antifascisten zouden de nieuwe nazi’s worden, had professor Presser voorspeld.
“Zie je nu wel?”
Dit moest worden vastgelegd tot in de eeuwige oneindigheid. “Hoed je voor de liegende, racistische en antisemitische geldwolven in schaapskleren!”
Uit welk jaar zei je?
1987. De val van Vrij Nederland. Met als opmaat die ene redactrice, Marian Husken, die in 1981 in een café, met een borrel in de hand, gewoon even heel droog een mogelijke waarheid had geroepen naar haar collega’s. Voor de alertheid. Na twee witte wijn. En ja, dat je dan hard moet praten. Als er ook livemuziek is. Anders verstaat men je niet.
“Wat zeg je, Marian? Oh, wacht even.. Nee, ik wil een jenever. Een jenéver, graag! Henk, je morst met je rooie wijn op m’n broek… wacht Marian… ik versta je niet… zeg het nog eens.”
“Dat de kwestie Israël - Palestina veuls te veul wordt beïnvloed door de joodse redacteuren, hierzo!”
Als een kwaaie schreeuw in een onverwacht stille ruimte, zo viel het, exáct op en na de laatste noot van het getetter van de jazzband. Gevolgd door applaus. Marian schrok zelf ook, hoor, van hoe hard het eruit kwam.
“Schande!”, schrijft het boekje. Hier hadden maatregelen tegen genomen moeten worden. Een per direct ontslag!
Ook journalist-schrijver Piet Piryns werd beschuldigd. Hij zou zijn genoemd in het boek “De zonen van Godfried van Bouillon, de zionistische lobby van België”. Onmiddellijk verdacht van antizionisme, dat ook in 1987 volslagen onzinnig gelijk werd gesteld aan antisemitisme.
Ligt het nu aan deze tijd - nu pas dus - dat ik het venijn, als gevolg van mogelijke cognitieve dissonantie in dit boekje, zo ontzettend voel? Tuurlijk, want het is niet áán te raken dit onderwerp. Zeker voor de medewerkers van een linkse, oorspronkelijke verzetskrant, opgericht in 1940.
En het is heftig, want waar in dit boekje uit 1987 de hoofdredacteuren Ferdinandusse en Van Tijn door het slijk werden gehaald als “heulend met de monsterlijke vijand”, doet in 2024 het Nieuw Israëlisch Weekblad (NIW) hetzelfde met cultuurcentrum Pakhuis De Zwijger. Waar mevrouw Husken, na haar uiting van journalistieke zorg, een tijdelijke plek kreeg op de bovenverdieping, even weg van de geraakte, emotionele collega’s, plaatst het NIW in de huidige tijd dit:
“[ ]De Zwijger gelegen aan de Piet Heinkade in Amsterdam, is met name sinds de pogrom van 7 oktober berucht om zijn eenzijdige, antizionistische en antisemitische bijeenkomsten.”
Ok, dit is een andere jas, maar hij lijkt toch verdomd veel op de binnenvoering en snit uit de oorlog, toen de klopjacht werd geopend op hen die maatschappelijk draagvlak creëerden voor mensenrechten en solidariteit. Het kostte meer dan zeventig medewerkers van Vrij Nederland tijdens de oorlog het leven.
De val van een krant. Tja, want “de verregaand gedemocratiseerde structuur van het blad faalde definitief”, schrijven de heren. Een onthutsend spektakel, dit boekje. Omdat een ideaalbeeld een mens nu eenmaal vaak in de weg zit. Net als dat heilige geloven in de eigen objectiviteit.
Goed, vandaag is vandaag en we zijn allemaal gek. In deze bepalende zomer van 2024. En ik wil het niet raden - want het laat zich raden - hoe Dirk, Theodor, Lucas en Bob nu kijken naar de verontwaardiging die ze toen hadden. Hoe ze kijken naar datgene wat nu nóg strenger wordt ingezet tegen “Ceasefire now!”. Tegen demonstrant, vlag, button, baksteen, sticker, student, sjaal. Tegen getuige, slachtoffer, bewijs, bezetting, leugen en censuur. Tegen onrecht, apartheid, racisme, diefstal, roof, misdaad, moord en bombardement. Tegen uithongering, uitbuiting, marteling, etnische zuivering en…
Dit boekje? Een mes op de keel.
Genocide, winstmachine.
“Ja, nee, maar dat is in dit geval Jodenha-haaaaaat! Als je zoiets roept. Hoe vaak moeten we je nog slaan voordat je het snapt?”
Dit speciale exemplaar mag wat mij betreft afgestoft en dichtgeslagen terug naar de zolder van het Concertgebouw. Dan kijken we er over veertig jaar nog es naar. Ik bedoel, een huidig kabinetslid zat, zo begrijp ik, ooit bij Stormfront, een neo-nazi internet platform. Voor wie is dit normaal? We zijn bewuster. Toch? Dat racisme bestaat. Het EK is dan godzijdank weer voorbij, maar het residu op mijn netvlies is die ‘Oranje’-karikatuur van Ruud Gullit met zwarte schminck en dito krullen.
“Doe niet zo moeilijk, joh!”. Precies zoals Van Kooten en de Bie dit in de jaren tachtig ook zo prettig “relativeerden”, zodat de boerenkool met worst tenminste lekker bleef smaken.
Juli 2024.
Ik heb moeite met de tijd. Het is altijd maar nu. Ik loop wel, maar ik kom niet vooruit. De klok staat stil. “Was ik daar niet al eens geweest?” Zevenendertig jaar na 1987. En iedereen doet zijn stinkende best en dus gewoon hetzelfde.
Ik begrijp dingen nu. Ben geen vijftien meer.
[1] De Val van Vrij Nederland, uitgave Gerard Timmer Prods, Amsterdam, 1987


