Jeuk
Zoals dat gaat als vage kruimels ineens als puzzelstukjes in elkaar vallen. Want terwijl mij te kennen werd gegeven dat ik niet zo moeilijk moest doen en moest gaan slapen, werd ik juist wakker...
Ik schreef eens een column, die door de opdrachtgeefster online werd gepresenteerd met de woorden: “Ik ben zó trots op je!”
Ik liet het zitten, toen, maar ik kreeg jeuk van die opmerking. Het zei namelijk alles.
Ik had er helemaal niet verder mee gewild. De manier waarop de column tot stand kwam had me alleen maar verwarring gebracht over met wie ik nou eigenlijk samenwerkte. Ik gaf het ’t voordeel van de twijfel, want ach, ik moest het toch ook nog “leren”, columns schrijven.
Maar ik herkende vage dingen. Van eerder. Van een vriendin van vroeger, lang geleden, die een coaching-opleiding deed. Ze deed aan me voor wat ze daar allemaal had geleerd. Het bekende “bewustzijnswerk”. En op een middag tijdens een kop thee vertelde ik haar iets. Ik weet bij God niet meer wat, omdat haar reactie erop me meer dan bijbleef: “Je bent hierin dus echt veranderd. Dat vind ik mooi om te zien.”
Jeuk.
Ik vroeg een schrijfster die ik ken wat je moet doen als je met de redactie niet op een lijn ligt als het gaat om stijl en de visie van een schrijver. “Voet bij stuk houden”, zei ze. En: “Dat is heel akelig.”
Want alles wat ik teruggaf aan haar (de redactie) werd geraffineerd precies verkeerd geïnterpreteerd, waardoor er een suggestieve mogelijkheid werd neergelegd dat ik niet met redactionele kritiek zou kunnen omgaan. “Maar je hebt écht talent, hoor!”
Jeuk.
Door de impasse. En omdat voor mezelf kiezen en afstand nemen niet mijn kracht is. Het deed me denken aan opgeven.
“Je klinkt nu wel heel boos”, was de val die werd neergelegd voor mijn voeten. “Is het je ego?”, in de suggestie. “Ik heb hier nu wel een uur ingestoken voor je.” En “Nee, niet opgeven!”, als de kers op de taart voor een zelfingenomen leraar die van het spartelen houdt, terwijl hij je zogenaamd zachtmoedig blijft aaien, met kruimelcomplimenten.
Ik hield voet bij stuk.
Mijn antwoorden werden korter. Geen uitleg of excuses meer. Dit is mijn schrijven. Het moest vervolgens worden gelezen door de echte ervaren, bekende schrijver/columnist uit haar kringen. Als “geste”. Kijk eens wat ik voor jou doe? Touwtjes. In handen.
Er wordt altijd maar al te graag een plasje gedaan over het werk van een ander. En als je dat zelf niet kan, dan is er vast een bekende kunstenaar die op jou kan afwrijven. En zo kwam er een totaalbeeld van mij, de debutant, de leerling, waar ik zelf in ging geloven, ten behoeve van het zelfbeeld van de ander.
Jeuk en hoe die begon.
De jeuk kwam mogelijkerwijs - zo zei de column-redactrice - die vond dat ze mijn vriendin was geworden deze afgelopen zomer - door een vorm van zelfmutilatie. Dat had een vriendin van haar ook.
Jeuk. Het orakel zou mij wellicht kunnen helpen.
En zo ging ik tot drie maal toe naar haar orakel. Die ik betaalde. Zoals dat gaat. Prima vrouw, hoor. Althans als je, zoals ik, je telkens zo bereidwillig openstelt en elke mogelijkheid ziet als een mogelijke kern, oorzaak, inzicht of waarheid. Met euro-flappen en nieuwe hoop als afsluiter.
Mijn “vriendin” was “bevriend” met het orakel, dus ten alle tijden had zij beschikbaarheid over het invoelen, zuchten, boeren, oorzaken en karmische energie uit vorige levens, dan wel familielijnen. Ik vernam de sessies en het resultaat te pas en te onpas tijdens de ellenlange app-wisselingen over relatieproblemen. Dat zij er weer even speciaal voor haar voor was “gaan zitten”. Om te voelen wie “hij” was. En waarom hij zo moeilijk deed.
Er hoefde daarvoor natuurlijk niets te worden betaald. Het orakel was beschikbaar. Zonder meer. Want, zo vertelde het orakel mij - bij de thee, toen ik er zat: zij was een bijzondere vrouw. En zó intelligent! Zij deed heel belangrijk werk voor het nieuwe paradigma waar de nieuwe wereld geboorte aan geeft in tijden van onderdrukking en verschrikking.
“Oh ja”, dacht ik.
En van de column-redactie-vriendin kreeg ik er toen een berichtje bij: “Ik weet dat je onzeker kan zijn over jezelf, maar het orakel en ik vinden jou héél leuk, hoor!”
Verwarrende jeuk.
“Het orakel, ik en de rest.” Een spannende feuilleton!
Of ik een column wilde schrijven voor dé site. Of ik wellicht ook de vaste columnist wilde worden voor deze nieuwe website.
Ja, ik kocht en las haar boeken, belangrijk, ik sjouwde met haar boeken, schreef transcripties, verdedigde haar, zowel in persoon als in werk, woonde presentaties bij, kocht kaartjes, zorgde voor technische hulp/advies, luisterde naar haar grieven op anderen die haar niet begrepen, doneerde en deed dit alles gratis. Voor nul cent.
De uiteindelijke prijs die ik betaalde was mijn vertellen over mijzelf. Mijn leven, mijn grieven, mijn beperkingen, mijn obstakels.
“Bedankt voor de vriendschap”, schreef ze op een kaartje.
Jeuk.
Het orakel was de bijzondere vrouw in haar leven. Want zij “wist” dingen en met name dat zij zélf zo bijzonder was.
En daar was dan die gezellige middag. Half augustus. Waarop we met zijn drieën aanwezig waren. Veel gelachen, hoor, met het orakel. Ik projecteerde nuchterheid en humor op haar. Dat soort dingen. Veilig. Wijntje halen.
“Ik vond je column heel mooi. Maar ik moest het wél twee keer lezen”, vertelde het orakel mij daar op dat feestje. “Maar na de tweede lezing vond ik het echt heel mooi.”
Jeuk.
Nu op mijn hoofd.
In wat voor driehoek was ik hier nu beland?
Waarom zou je een schrijver zoiets zeggen? Over het algemeen, als een tekst bij eerste lezing niet binnenkomt, dan rekenen we onszelf dat aan, niet? Waarom zou je de schrijver dat persé willen vertellen? Was dat omdat er op een bepaalde manier over was gesproken met mijn “vriendin”? Ik moest toch immers nog zo veel “leren”.
Ach, ik zocht gewoon iets. Nieuwe vrienden door wie je gezien wordt en bij wie je jezelf kunt zijn. En “hij” en “zij” kwamen dan weer eten en dan sliep de redactiecolumn-verbeteraar weer bij “hen”. Zulke fijne mensen!
Na het boekensjouwen riep ik impulsief tegen het orakel: “Maar is het niet leuk als we eens met elkaar bij jou komen eten?”
“Nou nee, zei ze, kom eerst maar eens langs voor dat ene onderwerp waar we het nog over moeten hebben.”
Jeuk.
Doe ik iets verkeerd?
De basis voor mijn verwarring was ook zo mooi en wat dieper neergelegd. Ja, ik ben onzeker. Ja, nieuwe sociale contacten zijn eng. Misschien ben ik wel veel te wantrouwig? Zou dat het zijn? De oorzaak van mijn angst, mijn onzekerheid?
“Ik ben zó trots op je!”
Tijdens een laatste app-wisseling kreeg ik weer een “les” van de redactie op mijn bestaan. Over hoe het ‘de kunst is om mensen toch in hun zielswaarde te laten, ook al hebben ze geen ziel.’
Althans, zou dit de strekking zijn geweest? Ik begreep niets van het waarom van dit bericht als antwoord op mijn tekst. Ik vroeg naar de betekenis. Ik vroeg: waarom schrijf je dit?
Geen reactie.
Zoals dat gaat als vage kruimels ineens als puzzelstukjes in elkaar vallen. Want terwijl mij, min of meer, te kennen werd gegeven dat ik niet zo moeilijk moest doen en moest gaan slapen, werd ik juist wakker.
Jeuk.
De afstand die ik nooit wilde nemen, maar die als noodzakelijk aan me had geknaagd, werd een definitief feit toen ik “mijn vriendin” een paar dagen later zelf nog eens moest vragen om terug te komen op haar tekst die ik niet begreep.
De reactie lag in de lijn der verwachting: afweer.
Ontkenning, verontwaardiging, slachtofferschap, teruggooien. Het was helemaal mijn eigen schuld want ik vertrouwde mensen niet, zei mijn “vriendin”.
Ik storneerde mijn laatste donatie. Ik ben immers geen robot. Dat werd gezien en benoemd als “agressief”.
Jeuk.
Ik wilde “sociaal” verdwijnen. Want hoe was het toch (weer) mogelijk dat ik mijzelf zó in de war had laten brengen? Mijn ziel en zaligheid zo gemakkelijk uit handen had gegeven aan misbruik? Ik haalde mijn profiel tijdelijk van het net. Wilde “weg” zijn. Altijd maar die afweer van zelfbeschermers. En ik maar rennen voor mensen, opkomen voor mensen, contact maken met mensen, in de hoop het dan terug te mogen ontvangen. De enige, échte beperking hier. Ja, een koppige. In deze wereld.
Ik kwam weer terug online en bam!, daar ontving ik de belangrijkste tool uit de gereedschapskist van de ego-getormenteerden: een block. Ik mailde haar: “Luister, als je ervoor kiest om dit zo te houden, dan stel ik het op prijs als je mijn column er dan ook maar afhaalt. Al lijkt het me goed om dit alles, gezien de emoties, zeg een maand, te laten bezinken. Geef het tijd.”
Mijn column werd er binnen een uur af geknikkerd, de block is er nog altijd en het orakel heb ik nooit meer gehoord over onze breuk. “Hey, wat akelig voor jullie!”
Niets.
Ik bestond helemaal niet. Het ging om hen. De blinde vroedvrouwen van een exact-zelfde paradigma. Een same-old wereld van onzekerheid, afweer en controle, in die bekende schaapsjas van mensenrechten- en wereldverbeteringswol.
“Dank je wel dat je zo bereidwillig mijn (ons) ego kwam boosten”, had er op dat kaartje moeten staan.
Jeuk.


